Bijna 7.000 van de meer dan 8.800 datacenters wereldwijd bevinden zich in een klimaat dat niet optimaal is voor koeling. Dat blijkt uit een analyse van de onderzoeksjournalisten van Rest of World. ‘Toch blijven warmere gebieden relevant als locatie’, zegt Friso Haringsma van de Belgian Digital Infrastructure Association (BDIA). ‘Een datacenter moet ook dicht bij zijn afzetmarkt staan.’
Het rapport van Rest of World is formeel: de meeste datacenters in de wereld liggen buiten het ideale temperatuurbereik van 18 tot 27 graden Celsius. 600 van deze datacenters staan in gebieden die als te heet worden beschouwd, terwijl het grootste deel net in te koude klimaten ligt, waar de gemiddelde temperatuur onder de 18 graden blijft.
Bij de locatiekeuze kijken bedrijven vooral naar elektriciteit, water, connectiemogelijkheden, belastingvoordelen en nationale dataregelgeving. Temperatuur is niet het primaire criterium.
Friso Haringsma, bestuurder bij de Belgische datasectorvereniging BDIA en CEO van Datacenter United, reageert. ‘Voor de grootste datacenters, van 300 megawatt of meer, kan een koud klimaat nochtans aanzienlijke voordelen bieden. De koeling is dan juist efficiënter en de totale eigendomskosten zijn lager. Toch moet een datacenter vaak dicht bij de afzetmarkt staan, om latency te beperken en operationele continuïteit te garanderen. Daarom blijven ook warmere gebieden relevant.’
De valkuilen van te koude klimaten
Hoewel koudere klimaten het energieverbruik voor koeling verlagen, zijn er ook nadelen. ‘Als het te koud wordt, krijg je extreem droge lucht, wat het risico op statische elektriciteit vergroot. En dat is funest voor de hardware. Je moet dan zorgen voor voldoende luchtvochtigheid’, legt Haringsma uit.
Ook zijn afgelegen noordelijke gebieden logistiek uitdagender: dataverbindingen, infrastructuur en toegang tot steden zijn daar niet altijd optimaal. Toch zijn er kansen in landen als Noorwegen, Zweden en Denemarken, waar voldoende groene energie beschikbaar is en restwarmte kan worden ingezet.
‘Maar je kunt niet alles in het noorden concentreren. Een deel van de datacentercapaciteit moet simpelweg in de buurt van de gebruikers blijven. Anders kun je niet voldoen aan de vraag van de markt’, aldus Haringsma.
Restwarmte: een onderbenutte bron
Een belangrijk initiatief is het hergebruik van restwarmte van datacenters. Deze warmte kan woningen of kantoorgebouwen verwarmen, of worden ingezet in landbouwkassen en kwekerijen.
‘In Antwerpen hebben we dat al gerealiseerd. De vestiging van Datacenter United verwarmt een logistiek magazijn van 3.500 vierkante meter bij een naburig bedrijf via indirecte warmtewisselaars, zodat er geen luchtverontreiniging optreedt’, legt Haringsma uit. ‘Dat toont dat restwarmte van datacenters lokaal nuttig kan worden ingezet, als de juiste infrastructuur aanwezig is.’
Een datacenter moet vaak dicht bij de afzetmarkt staan, om latency te beperken en operationele continuïteit te garanderen.
Friso Haringsma, Belgian Digital Infrastructure Association
Hij benadrukt dat de infrastructuur voor warmteoverdracht vaak door de overheid of derden moet worden aangelegd. ‘Datacenters leveren de warmte gratis, maar het netwerk moet worden gerealiseerd door een andere partij. Dat is prijzig, maar essentieel voor een circulaire energie-aanpak.’
Het rapport van Rest of World waarschuwt ook dat tegen 2040 extreme hitte twee derde van de grote datacenterhubs wereldwijd kan bedreigen.
‘Hogere temperaturen zijn niet per definitie een groot nadeel’, zegt Haringsma. ‘Als de restwarmte van datacenters hogere temperaturen bereikt, kan er bijvoorbeeld stoom of zelfs nieuwe elektriciteit mee geproduceerd worden.’
De huidige hardware van datacenters kan die hogere temperaturen momenteel nog niet volledig benutten. ‘Maar theoretisch is dit haalbaar en kan een datacenter op die manier een belangrijke bijdrage leveren aan lokale energie-efficiëntie.’
Integratie in lokale ecosystemen
Moderne datacenters worden steeds vaker geïntegreerd in hun omgeving, in tegenstelling tot vroeger, toen ze vaak als op zichzelf staande gebouwen werden neergezet.
Haringsma: ‘Destijds bouwde je een datacenter als een doos, los van alles. Nu probeer je het ecosysteem rond het datacenter te versterken: samenwerking met netbeheerders, gebruik van restwarmte, integratie in stadsontwikkelingen.’
Dit is volgens hem niet alleen goed voor energie-efficiëntie, maar ook voor de digitale economie. ‘Een engineer in een datacenter bedient vaak duizenden gebruikers, van ziekenhuizen tot lokale bedrijven. Dat draagt indirect enorm bij aan het digitale bruto nationaal product en de samenleving. Ik heb het hierbij vooral over datacenters die nièt tot de grote hyperscalers zoals TikTok of Meta behoren. Hyperscalers bouwen infrastructuur voor een wereldwijde markt. Regionale datacenters bouwen digitale infrastructuur voor de lokale economie.’